zaterdag, oktober 06, 2007

Klatèn

Klaten, ca.1938. Bloemencorso. (geboorte Beatrix?)
Onze Dodge met open kap versierd met zelfgemaakte bloemen van lichtblauw en wit crèpe papier. Het zijn de kleuren van het IEV. Aan het stuur de heer van Haarlem. Verder Ine, Mevr. Van Haarlem, Nancy en Mam (met hoed)


De landstreek rondom de vulkaan Merapi dankt voor een groot deel zijn vruchtbaarheid aan de veelvuldige uitstoot van vulkanische as. Vooral het regentschap Klatèn is zeer bevoorrecht. Behalve as ontvangt het gebied ook nog een overvloed aan water uit bronnen aan de voet van de vulkaan. De grootste waterdebieten bezitten Djolotoendo, Ponggok, Ingas en Geneng. (Geneng wordt met een toonloze e uitgesproken. Op deze bron kom ik terug in een latere vertelling).

Twaalf suiker – en achttien tabaksondernemingen getuigden van de grote vruchtbaarheid van de landstreek.

Deze landbouw gronden waren contractueel voor een aantal jaren gepacht van de Soenan van Solo en zijn familieleden. In 1929 begon de wereldwijde economische crisis, die zich nog jaren zou voortslepen. Het merendeel van de tabak en suiker kon slechts beneden kostprijs worden verkocht. Wat nu ? De pacht moest men wel blijven betalen.

De ondernemingen schakelden over van de productie van suiker en tabak op die van inheemse voedingsgewassen zoals rijst, maïs, aardnoten, cassave enz. Deze producten brachten lang niet zoveel op als tabak en suiker, maar met sluiting van enkele fabrieken en bezuinigingen op het personeel konden de ondernemingen nog net het hoofd boven water houden. Wie het geluk had niet ontslagen te worden, moest wel een flink deel van zijn inkomen inleveren. Deze maatregel gold van hoog tot laag, van administrateur tot landarbeider.

Er was voedsel in overvloed, maar krapte aan geld. Het eten werd goedkoop. Op de pasar en langs de weg verkocht men porties rijst met toespijs voor één cent. Voor een halve cent meer kreeg je er een gekookt ei bij.

‘s Morgens vroeg kwamen langs de huizen verkoopsters, die elk hun eigen specialiteit zoals nasi goedeg, nasi rawon en nasi liwet verkochten als ontbijt. Heel erg lekker en het kostte ‘niks’.

Klatèn, waar het goedkoop leven was trok als een magneet de gezinnen aan, die slachtoffer waren van de malaise. Werklozen kregen van het Gouvernement een onderstand, die door de Kerk met een gering bedrag werd aangevuld. De Katholieke Kerk schonk enkele guldens meer dan de Protestantse. Niet weinigen bekeerden zich tot het Katholieke geloof. Wat huisvesting betreft was men niet meer kieskeurig. Hollanders en Indo Europeanen woonden in huizen van gevlochten bamboe in de kampong. Langzamerhand herstelde de economie zich weliswaar, maar veel te langzaam voor hen , die in armoede leefden. De Europese Lagere School telde ongeveer tweehonderd leerlingen. Ondanks de lage kosten van voedingsmiddelen was het toch nodig, dat aan ca. dertig leerlingen dagelijks een gratis maaltijd op school werd vestrekt.

Inmiddels zaten mijn ouders net als in Solo weer in het plaatselijk bestuur van het IEV en de IEVVO. Mijn moeder kreeg wisselende taken toebedeeld. Zij werd o.a. belast met het verzamelen en uitdelen van gedragen kleding.

Op een dag werden er weer kleren gedistribueerd in het IEVVO gebouw. Plotseling voelde mijn moeder, dat er aan haar jurk werd getrokken. ‘Nicht, nicht, deze jurk hij past mij wel ja. Ik mag wel hebben, ja. U bent toch mijn nicht en erg rijk’. Het was een vrouw, die dezelfde naam droeg als wij. Hoe de verwantschap was, wisten wij niet. Mijn moeder reageerde geïrriteerd ‘Al bent u duizendmaal mijn nicht, ik laat mij niet de kleren van het lijf trekken. Alles wordt hier eerlijk en naar behoefte verdeeld. Ik doe niet aan familie-en vriendjespolitiek’.

Er deden verontrustende berichten de ronde. Mijn moeder werd er op af gestuurd.Het betrof een Indonesische weduwe van een Hollandse militair. Zij woonde met haar twee dochters van veertien en zestien jaar in een kamponghuisje. ‘Zij was behangen met juwelen. Zij leek wel een kerstboom,’ vertelde mijn moeder later. Na flink doorvragen bleek, dat zij haar dochters weleens aan ‘vrienden’ meegaf. Het was duidelijk, dat de moeder er heel veel geld voor kreeg. Haar dochters waren zeer in trek. Zij hadden immers een lichte huidkleur en waren bovendien ‘dochters van de overheersers’. Toen deze vrouw op hoge toon beweerde , dat het niemand aanging, sloegen bij Mam de stoppen door. Zij maakte een daverende scène, die door de hele kampong hoorbaar was. Nog diezelfde dag werden de meisjes in een weeshuis ondergebracht.

Sindsdien kreeg Mam de bijnaam ‘Njonjah matjan”, mevrouw de tijgerin. (1935-1940)

0 reacties:

Een reactie posten

Aanmelden bij Reacties posten [Atom]

<< Homepage